Jurisprudentie handboeien/geboeid vervoer

Jurisprudentie handboeien

22 mei 2014, KC 2015/005

Klager beklaagt zich over de beslissing om zonder aanleiding met de broekstok aangelegd te worden vervoerd naar het ziekenhuis. Bij de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen staat het noodzakelijkheidsvereiste voorop. De beklagrechter is van oordeel dat de broekstok niet standaard had mogen worden meegenomen de wachtruimte in. Door dit toch te doen is een voor klager onduidelijke situatie ontstaan die een verbale en emotionele reactie bij klager opriep waardoor hij niet wilde meewerken. Het beklag wordt gegrond verklaard en klager wordt een tegemoetkoming toegekend voor het geleden ongemak ter hoogte van € 10,–.

24 april 2017, KC 2017/023

Klager beklaagt zich er over dat hij op locatie 1 geboeid wordt als hij wordt uitgesloten. Ook nadat hij is teruggekeerd uit het Pieter Baan Centrum, alwaar hij niet geboeid werd. De directeur heeft aangegeven dat het boeien van klager noodzakelijk wordt geacht gelet op de incidenten die zich in het verleden hebben voorgedaan en de houding die klager thans nog altijd heeft. De situatie in het Pieter Baan Centrum was dusdanig anders dan op locatie 1 dat het kennelijk verantwoord werd geacht om klager niet te boeien. Een dergelijke situatie kan op locatie 1 niet gecreëerd worden. De beklagcommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid heeft kunnen komen tot het aanwenden van boeien als vrijheidsbeperkend middel gelet op zijn fysieke agressie in het verleden. Te meer nu door het behandelteam steeds zorgvuldig wordt bekeken of voortzetting noodzakelijk is en blijft. De klachten zijn derhalve ongegrond verklaard. De beklagcommissie geeft daarbij wel in overweging aan de directeur om actiever te zoeken naar en experimenteren met minder ingrijpende alternatieven.

20 juli 2017, KC 2017/033

Klager beklaagt zich over de omstandigheid dat hij geboeid naar het ziekenhuis is vervoerd. De directeur van detentiecentrum Zeist geeft aan dat in de transportaanvraag geen verzoek tot boeien is gedaan. De directeur geeft daarnaast aan dat de risicoadviseur bij de beoordeling van de transportaanvraag heeft besloten om de klager toch te boeien. De beklagrechter stelt vast dat de motivering om klager te boeien alleen is gelegen in de omstandigheid dat hij is vervoerd naar een publieke ruimte. Deze motivering volstaat niet. De noodzaak voor de aanleg van de vrijheidsbeperkende middelen is hiermee namelijk niet aangetoond. De beklagrechter kent aan klager een tegemoetkoming van €10,- toe.

27 juli 2017, DZ-2017-000021

Klager is geboeid vervoerd naar het ziekenhuis met handboeien en een buikriem. De beklagcommissie stelt dat blijkens jurisprudentie van de RSJ de directeur bij de beslissing tot geboeid vervoer een belangenafweging dient te maken. Zo dient de directeur per ingeslotene en per transport te bepalen welke beperkende maatregelen noodzakelijk zijn. De beklagcommissie stelt vast dat de directeur geen bijzonderheden heeft doorgegeven die het boeien van klager noodzakelijk zouden maken, dat sprake was van vluchtgevaar is gesteld noch gebleken. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die klager individueel betreffen, doch louter ingegeven door het transport naar een publieke ruimte. Deze motivering volstaat niet. Een extra risico op onttrekking, zoals DV&O het noemt, vooronderstelt het bestaan van een risico op onttrekking, op vluchtgevaar dus. Daarvan was bij klager geen sprake. Een dergelijke redenering komt er in feite op neer dat steeds zal worden geboeid wanneer transport naar een voor het publiek toegankelijke ruimte plaatsvindt, ongeacht of concreet sprake is van een risico op onttrekking. De impliciete gedachte dat bij iedereen die door de overheid van zijn vrijheid is beroofd in zijn algemeenheid een risico op onttrekking bestaat, kan niet worden aanvaard. Dat maakt het uitgangspunt om het transport uit te voeten conform de aanvraag en de individuele afweging van de noodzaak om vrijheidsbeperkende maatregelen aan te leggen tijdens transport tot een lege huis. Dit klemt te meer in een geval als dat van klager, die niet strafrechtelijk gedetineerd is, maar in vreemdelingenbewaring is genomen en die op grond van artikel 5.4 van het Vreemdelingenbesluit niet verder beperkt dient te worden in de uitoefening van zijn grondrechten dan voor zover dit noodzakelijk wordt geacht. Die noodzakelijkheid dient te blijken uit een concrete afweging van de belangen en de risico’s die bij het al dan niet geboeid vervoeren betrokken zijn. Van een dergelijke afweging is in het onderhavige geval niet gebleken. De beklagrechter zal op grond hiervan het beklag gegrond verklaren en kent aan de klager een tegemoetkoming toe van €10,-.

06 september 2017, DS-2017-000119

Klager is gedeeltelijk geboeid vervoerd tijdens zijn transport naar de Algerijnse ambassade te Den Haag. Hij is geboeid tijdens het lopen naar de ambassade vanaf de transportbus. Klager verblijft ten tijde van het indienen van zijn klacht op grond van artikel 6 van de Vreemdelingenwet 2000 in een grenslogies zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Reglement regime grenslogies (hierna: het RRG), welk grenslogies onderdeel uitmaakt van het detentiecentrum Schiphol zodat het RRG op hem van toepassing is.
In het tweede lid van artikel 6 van de Dienstinstructie bestemd voor het vervoer van justitiabelen door DV&O van 1 juli 2014 met kenmerk ZD20140000955/14/DJI is bepaald dat de inzet van (vrijheidsbeperkende) middelen op basis van de gegevens op de transportaanvraag in combinatie met het risicoprofiel van de justitiabele wordt bepaald. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat indien tijdens de uitvoering van het transport in afwijking van de transportaanvraag, uit veiligheidsoverwegingen gebruik moet worden gemaakt van één of meerdere vrijheidsbeperkende middelen, de transportgeleider dit rapporteert op het ‘meldingsformulier vrijheidsbeperkende middelen’. De beklagcommissie stelt vast, tevens gekeken naar de jurisprudentie van de RSJ (16/4002/GA en 16/4005/GA), dat de beslissing om klager te boeien via de ‘lang-armconstructie’ kan worden toegerekend aan de directeur van het DCS hoewel zij feitelijk niets van doen heeft gehad met deze beslissing.
De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond en kent aan de klager een genoegdoening toe ter hoogte van €10,-.

03 oktober 2017, DS-2017-000105

Klager is tijdens zijn transport naar het ziekenhuis geboeid vervoerd. Klager probeert om rechtvaardige behandeling te krijgen, hij klaagt om iets te bewerkstelligen. Klager stelt dat er geen verschil gemaakt dient te worden tussen artikel 6 en artikel 59 Vreemdelingenwet, aangezien hij ten tijde van het indienen van zijn klacht op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet in het Detentiecentrum van Schiphol verblijft.
Op 10 april 2017 heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) in een uitspraak met de kenmerken 16/4002/GA en 16/4005/GA ten aanzien van klachten over (uitvoerings)beslissingen van DV&O het volgende geoordeeld:
‘Bij besluit van 79 juli 2070 is door de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie een Commissie van Toezicht ingesteld bij DV&O. Bij deze CvT is nog geen beklagcommissie ingesteld die klachten over (uitvoerings-)beslissingen tijdens het vervoer zal beoordelen. Wetsvoorstel 33844, waarin onder meer de instelling van een dergelijke beklagcommissie zal worden geregeld, is sinds 2014 aanhangig bij de Tweede Kamer. Daarom kunnen gedetineerden op dit moment nog niet rechtstreeks een klacht indienen bij DV&O. In de huidige situatie wordt op grond van de Penitentiaire beginselenwet beoordeeld of de directeur van de inrichting verantwoordelijk kan worden gehouden voor klachten die het gevolg zijn van het in opdracht van die directeur uitgevoerde vervoer.’
Hoewel klager niet onder de Penitentiaire beginselenwet maar onder het RGG valt en de uitspraken van de RSJ daarmee in beginsel niet op hem van toepassing zijn is de beklagcommissie van oordeel dat vorenstaande beoordeling van de RSJ analoog kan worden toegepast op de situatie van klager. Dit betekent naar het oordeel van de beklagcommissie dat in onderhavige klacht op grond van artikel 14 sub d. RGG beoordeeld moet worden of de directeur verantwoordelijk kan worden gehouden voor de klacht die het gevolg is van het in opdracht van haar uitgevoerde vervoer. Dit betekent dat klager kan worden ontvangen in zijn beklag.
De beklagcommissie stelt vast dat artikel 6 vreemdelingen in beginsel niet geboeid mogen worden tijdens een transport, tenzij er sprake is van veiligheidsrisico’s die geboeid vervoer noodzakelijk maken. Deze risico’s zijn onvoldoende toegelicht en er is niet gebleken dat er een kenbare individuele belangenafweging gemaakt is ten aanzien van de klager. Het gebruik van handboeien kan van alle in aanmerking komende omstandigheden onredelijk en onbillijk worden geacht. De beklagcommissie verklaart de klacht gegrond en erkent aan klager een genoegdoening toe ter hoogte van €50,-.

03 oktober 2017, DS-2017-000075

Klager is geboeid vervoerd naar het Paleis van Justitie te Den Haag. Klager zit in detentie op grond van artikel 6 vreemdelingenwet en brengt naar voren dat er geen onderscheid gemaakt dient te worden tussen zogenaamde artikel 6 en artikel 59 vreemdelingen.
De beklagcommissie stelt vast dat zowel de directeur van het DCS als DV&O het erover eens zijn dat artikel 6 vreemdelingen in beginsel niet geboeid mogen worden tijdens een transport, tenzij er sprake is van veiligheidsrisico’s die geboeid vervoer noodzakelijk maken. Klager had derhalve niet geboeid vervoerd mogen worden op 27 maart 2017, ware hij op correcte wijze aangemerkt als artikel 6 vreemdeling, zij geeft DV&O zelf aan. De beklagcommissie is van oordeel dat het gegeven dat klager per abuis is aangemerkt als artikel 59 vreemdeling en dat er mogelijk sprake was van onberekenbaar gedrag en psychische problematiek onvoldoende is om te spreken van veiligheidsrisico’s die het noodzakelijk maakten om klager geboeid te vervoeren, te meer nu klager van de ene beveiligde locatie naar de andere beveiligde locatie is vervoerd. In ieder geval is de beklagcommissie van oordeel dat die eventuele risico’s onvoldoende zijn toegelicht en dat niet is gebleken van een kenbare individuele belangenafweging ten aanzien van klager. De beklagcommissie verklaart de klacht gegrond en kent aan klager genoegdoening toe ter hoogte van €37,50.