Jurisprudentie visitatie

Jurisprudentie visitatie

2 mei, 2017, ECHR 68613/13

Klager, mevrouw L., heeft een hoger beroeptegen Nederland bij het Nederland bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aangespannen. Haar klacht tegen de visitatie was door de CvT en RSJ ongegrond verklaard. Op 2 mei 2017 is door de Nederlandse overheid toegegeven dat de visitatie van mevrouw L. in strijdt is met artikel 3 EVRM. Mevrouw L. is op 7 maart 2012 in vreemdelingenbewaring door twee vrouwelijke en twee mannelijke medewerkers van het detentiecentrum gevisiteerd.  Dit was een buitengewoon traumatische ervaring voor mevrouw L. De Nederlandse overheid geeft toe dat in het licht van de individuele omstandigheden van mevrouw L de visitatie in strijdt is met het EVRM. De overheid betreurd de gang van zaken en heeft ter compensatie een bedrag van €3.600,- aangeboden.

In het hoger beroep in de zaak Mevrouw L. tegen Nederland bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is op 2 mei 2017 door de Nederlandse overheid toegegeven dat de visitatie van mevrouw L. in strijdt is met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Mevrouw L. is op 7 maart 2012 in vreemdelingenbewaring door twee vrouwelijke en twee mannelijke medewerkers van het detentiecentrum gevisiteerd.  Dit was een buitengewoon traumatische ervaring voor mevrouw L. De Nederlandse overheid geeft toe dat in het licht van de individuele omstandigheden van mevrouw L de visitatie in strijdt is met het EVRM. De overheid betreurd de gang van zaken en heeft ter compensatie een bedrag van €3.600,- aangeboden. Omdat de Nederlandse overheid haar fout heeft erkend is de zaak verder afgedaan met de compensatie en is er geen uitspraak gedaan.

17 februari 2016, KC 2016/010

Klager beklaagt zich over de visitaties die hij op 18 oktober 2015, 4 december 2015, 18 december 2015 en 24 januari 2016 heeft ondergaan.  Door de visitaties is er sprake van schending van de fysieke integriteit van klager dit terwijl geen sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s die dit rechtvaardigen. De directie verwijst naar de jurisprudentie van de RSJ over visitatie en met name de uitspraak van 17 februari 2014 met nr. 13/4049/GA. waarin staat dat het gebruik van de  randomizer is goedgekeurd en dat er 2 x per maand gevisiteerd mag worden.  Verder is visiteren na bezoek een standaard bevoegdheid van de directeur op grond van artikel 29 Pbw. De beklagcommissie begrijpt dat visitatie een ingrijpend middel is, maar acht het noodzakelijk in verband met het terugdringen van de aanwezigheid van drugs in de inrichting. De klacht is ongegrond verklaart.

03 augustus 2017, DC-2017-000111

Klager is uit zijn cel gehaald en samen met medegedetineerden gevisiteerd, omdat er een keukenmesje vermist was. De visitatie wordt gezien als een inbreuk op de lichamelijke integriteit en wordt als schokkend, vernederend en onbegrijpelijk ervaren door de klager en zijn medegedetineerden. De beklagcommissie overweegt dat de directeur een risico inschatting heeft gemaakt waarna hij ervoor gekozen heeft om van het LLB (beveiligingsorganisatie) gebruik te maken. Dit heeft tot gevolg gehad dat er geen gebruik is gemaakt van de bodyscan maar dat er visitatie heeft plaatsgevonden. Dat klager hierover niet is geïnformeerd is inherent hieraan. De beklagcommissie acht dit, mede gelet op de door de directeur geschetste risico inschatting, niet onredelijk of onbillijk. Daarnaast verwijst de beklagcommissie naar een uitspraak van de RSJ met nummer 16/1661/GA, waarbij de RSJ heeft geoordeeld dat enkel wanneer sprake zou zijn van stelselmatige visitaties dit een schending kan opleveren van artikel 3 EVRM, maar dat klager steekproefsgewijs een visitatie heeft moeten ondergaan, dit niet in strijd is met de wet en evenmin als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt. De beklagcommissie is van oordeel dat er slechts sprake is geweest van een incidentele visitatie en dat dit niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt. Hierdoor is het beklag ongegrond verklaard.