Er is een interessante uitspraak geweest in het vreemdelingenrecht. Terwijl er normaal gesproken tijdens de rechtszaak over een bewaringsmaatregel alleen het zicht op uitzetting wordt besproken, was dat in de zaak van Adrar niet het geval. Er werd door de rechter ook getoetst of er veilig uitgezet kon worden, zonder onmenselijke behandeling op basis van het non-refoulementbeginsel. De beredenering hierachter is: als iemand niet uitgezet kan worden omdat het onveilig is, is er geen zicht op uitzetting, dus de bewaringsmaatregel is onterecht.
Deze toets op veiligheid werd in eerste instantie niet gedaan, omdat dit beoordeeld wordt in een asielaanvraag. De rechter verwees dan naar de mogelijkheid om asiel aan te vragen.
De rechter stelde prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie. Die bevestigde de verplichting voor de bewaringsrechter om et non-refoulementsprincipe te checken. Alleen heeft het de betrokkene uiteindelijk niet geholpen. In deze zaak was niet genoeg bewijs om het risico op een onmenselijke behandeling in Marokko aan te tonen. Toch biedt deze nieuwe toets kansen voor vreemdelingenbewaringszaken in de toekomst en huidige bewaringsmaatregelen waar het non-refoulementprincipe ook niet is getoetst.
